Bach (J.S.), Contrapunt 1 (SATB)

7.50

Die Kunst der Fuge (BWV 1080) is een collectie van veertien fuga's en vier canons, gecomponeerd tussen ca. 1742 en 1750 en postuum – in onvolledige vorm – uitgegeven in 1751.
Dit arrangement is geschikt voor redelijk gevorderd kwartet.

De compositie is door tijdgenoten, latere componisten en muziektheoretici tot de 20e eeuw gewaardeerd als een praktisch klavierwerk. Pas in de 20e eeuw is er “een sluier van mysterie” getrokken over het werk. Zo ontstonden er drie 'problemen' rond de Kunst der Fuge:
1. Bach heeft het werk niet kunnen voltooien: het werk is onvolledig overgeleverd, maar de vraag is gesteld of Bach het werk niet heeft kunnen afmaken door zijn overlijden of dat het ontbrekende deel simpelweg zoek geraakt is.
2. Voor welk instrument is het werk geschreven? Bach heeft elke stem – de fuga's, dubbelfuga's, spiegelfuga's enz. zijn alle hooguit vierstemming – afzonderlijk, in partituurvorm, genoteerd. Dat dit destijds gebruikelijk was voor dergelijke klavierwerken in contrapunt heeft niet verhinderd dat het werk in de 20e eeuw aanleiding heeft gegeven tot discussies en speculaties over de vraag voor welk instrument of welk ensemble Bach het werk bedoeld zou hebben.
3. Had Bach een uitvoering van het werk voor ogen? Wilde Bach alleen een academisch bewijs van zijn kunnen tonen of had hij werkelijk een uitvoeringsstuk voor ogen bij de compositie van de Kunst der Fuge?